Buiten regent het pijpenstelen. Binnen moeten u en de andere vijf kinderen zich vermaken in de beperkte ruimte van het souterrain en de bel-étage van Alexanderkade 16, terwijl uw moeder en dienstbode Aleida zich door de immer aangroeiende rijstebrijberg van huishoudelijk werk heen proberen te eten. Dat lijkt mij de hel. Veel aandacht voor de kinderen zal er niet kunnen zijn. Worden er spelletjes gedaan? Misschien af en toe, met uw vader, als hij wekenlang thuis is tussen twee reizen naar Nederlands-Indië door.
Kinderdagverblijven en kleuterscholen bestaan nog niet en de ‘matressenschooltjes’ (van ‘maitresse’: ‘juf’) passen niet meer in het eind negentiende eeuwse denken over de opvoeding van kinderen: “Voor de geestelijke ontwikkeling van de kleinen waren ze nutteloos (de onderwijzeres was incapabel), voor het lichaam funest (zolders en kelders, met zeer onhygiënische toestanden en de snoeptafel als lokkertje).”
Een van de zestien stadsdokters, Samuel Coronel, heeft deze misstanden blootgelegd. (Boekholt & Booy, 1987, p. 175) Hij noemt ze “holen van menschenverdierlijking”. (Baar, sd)
Ik kan me niet voorstellen dat uw ouders hun kinderen daarnaartoe stuurden, hoe gek, met name uw moeder, soms ook geworden moet zijn van alle drukte in huis.
Dat uw broer, Martijn, als eerste op zesjarige leeftijd (in 1896) naar de lagere school gaat, leidt geen twijfel.
De algemene leerplicht wordt weliswaar pas in 1901 ingevoerd, maar al in 1895 gaat ruim 90% van de jongens en bijna 90% van de meisjes tussen de zes en twaalf jaar naar de lagere school. (Boekholt & Booy, 1987)
De vraag is: gaat hij naar een openbare of een bijzondere, namelijk katholieke school? Ik kan me voorstellen dat de voorkeur van uw ouders naar een katholieke school uitgaat. Alleen zijn er in die tijd helemaal nog geen katholieke scholen voor jongens zoals hij, zoals op te maken valt uit de tabel van de lagere scholen in de gemeente Amsterdam van 1899 (zie hieronder). (Inventarissen, 1899)
Aan het eind van de achttiende eeuw, in 1795, leidde de scheiding van kerk en staat tot een eindeloze schoolstrijd. Kerkgenootschappen mochten geen scholen meer oprichten, maar moesten zich beperken tot godsdienstonderwijs.
In de grondwet van 1848 wordt dat weer teruggedraaid. Het wettelijke doel van het lager onderwijs wordt het opvoeden van kinderen met christelijke en maatschappelijke deugden. Openbaar onderwijs wordt dan voor iedereen toegankelijk en het oprichten van bijzondere scholen, bijvoorbeeld katholieke, wordt toegestaan, maar niet door de overheid gefinancierd.
De onderwijswetgeving blijft zwalken, afhankelijk van welke stroming aan de macht is. De confessionelen verzetten zich tegen de leerplicht, zolang het bijzonder onderwijs zoveel duurder is dan de – gratis – openbare scholen. Het zijn de liberalen die in de schoolwet van 1889 de eerste stap zetten op weg naar de gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs. Daardoor gaat ook de schoolbijdrage richting gelijkstelling. Het invoeren van schoolgeld voor de openbare scholen was nodig om overheidssubsidie beschikbaar te kunnen maken voor het bijzonder onderwijs. Het moge duidelijk zijn dat niet iedereen het daarmee eens was.
Eind negentiende eeuw waren ongeveer twee van de drie lagere scholen in Nederland openbaar. In 1920, toen ook het bijzonder onderwijs evenveel overheidssubsidie kreeg als het openbare onderwijs, was die verhouding bijna gelijk: 55:45. (Boekholt & Booy, 1987)
In Amsterdam is die verhouding in 1899 tussen openbare en bijzondere lagere scholen nog 80:20.
Tabel 1: Tabel der Lagere Scholen in de Gemeente Amsterdam bij het einde van het jaar 1899 ( (Inventarissen, 1899)
| Openbare Scholen | Eerste Klasse | 100 |
| Tweede Klasse | 22 | |
| Derde Klasse | 36 | |
| Vierde Klasse | 8 | |
| Leerschool bij de kweekschool | 1 | |
| Bijzondere Scholen | Nederduitsch Hervormd | 8 |
| Waalsch Hervormd | 3 | |
| Weeshuizen en Gestichtgen | 9 | |
| Israëlitisch | 1 | |
| Gereformeerd | 6 | |
| Vereeniging tot Weldadigheid van den Allerheiligsten Verlosser | 8 | |
| Vereeniging van den H. Vincentius à Paulo (Armenscholen) | 5 |
In 1899 zijn in Amsterdam slechts dertien katholieke lagere scholen : zeven voor arme kinderen en de rest alleen voor meisjes. De conclusie lijkt me dan ook gerechtvaardigd dat uw broer, en waarschijnlijk later ook u en de andere kinderen naar een openbare school gaan. Maar welke?
Een medewerker van het Stadsarchief van Amsterdam vertelde me dat de scholen ‘der eerste klasse’ voor kinderen uit arbeidersgezinnen zijn, die ‘der tweede klasse’ voor de middenklasse en de scholen voor de derde en vierde klasse1 voor de gezinnen met hogere inkomens en de elite. Het lijkt me dat de kinderen van een belasting betalende en stemgerechtige chef-machinist van de Prins van Oranje gerekend worden tot de middenklasse en dus naar een openbare lagere school ‘der tweede klasse’ gaan.
Elders lees ik dat van kinderen op de eerste- en tweedeklasscholen verwacht wordt dat ze na het zesde leerjaar meteen gaan werken. (Openbare lagere scholen, sd) Gezien het gegeven dat beroepsonderwijs nog in opkomst is en dat een vak nog voornamelijk op de werkvloer geleerd wordt, lijkt ook dat voor uw oudste broer in de richting van een school in de tweede klasse te wijzen.
Van de tien scholen ‘der tweede klasse’ binnen een straal van 1,5 kilometer van uw ouderlijk huis (minder dan een half uur lopen) zijn er vier die ook onderwijs in vreemde talen geven. Ik kan me zo voorstellen dat uw moeder, die zelf tenslotte een perfect nieuwsjaarsgedicht op rijm in het Frans schreef, het belangrijk vindt dat haar kinderen dat ook leren.
Voor Martijn kies ik daarom alles overwegende de school ‘O’, aan de Plantage Muidergracht 54c-d (ook nog eens vlakbij de Kweekschool voor Machinisten!). Deze school ligt op 500 meter afstand van de Alexanderkade 16, minder dan tien minuten lopen (en langs Artis!). Er geven 17 hoofdonderwijzers en hulponderwijzers les aan 261 jongens en 227 meisjes. Dat is gemiddeld één leerkracht op 29 leerlingen. Dat is nu niet anders. Het hoofd van de school verdient ƒ2.000 (vermoedelijk per jaar) en krijgt een ‘vrije woning of vergoeding voor gemis daarvan’. Dat zal de continuïteit en de stabiliteit van het onderwijs zeker ten goede komen.
Daar zouden leerkrachten in deze tijd de spreekwoordelijke moord voor doen.
Illustraties
- Tabel der Lagere Scholen in de Gemeente Amsterdam bij het einde van het jaar 1899 ( (Inventarissen, 1899)
- Screenshot Google Maps wandelroute Alexanderkade 16 naar Plantage Muidergracht 53 (Maps, sd)
Bronnen
- Baar, P.-P. d. (sd). Mokumse medici. Opgeroepen op januari 15, 2026, van Ons Amsterdam: https://onsamsterdam.nl/artikelen/mokumse-medici-5-samuel-coronel
- Boekholt, P., & Booy, E. d. (1987). Geschiedenis van de school in Nederland. In P. Boekholt, & E. d. Booy, Geschiedenis van de school in Nederland vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd. Assen/Maastricht: Van Gorcum.
- Inventarissen. (1899). Opgehaald van Amsterdam Stadsarchief : https://archief.amsterdam/inventarissen/scans/5191/1.3.19/start/110/limit/10/highlight/9
- Maps. (sd). Opgeroepen op januari 18, 2026, van Google: https://google.nl/maps
- Openbare lagere scholen. (sd). Opgeroepen op januari 18, 2026, van Amsterdam op de kaart: https://amsterdamopdekaart.nl/t/45/Scholen_-_lager_-_openbaar
- Wat ik opvallend vind is dat de scholen ‘der eerste klasse’ geen naam hebben, maar genummerd zijn. De scholen ‘der tweede klasse’ worden met een letter uit het alfabet aangeduid. De scholen ‘der derde’ en ‘der vierde klasse’ hebben namen, zoals nu ook gebruikelijk is. ↩︎