20. Het eerste jaar van de twintigste eeuw (1900)

n het ‘fin-de-siècle’ wordt in diverse kranten uitgebreid gediscussieerd over de vraag of de nieuwe eeuw in 1900 of in 1901 begint. Daarbij worden ook de nodige wiskundige berekeningen getoond. Er wordt ook al voorspeld dat dezelfde discussie weer op zal laaien bij de overgang van de twintigste naar de eenentwintigste eeuw: die voorspelling is uitgekomen …
Volgens mij is het toch meer een taalkundig dan een wiskundig vraagstuk. Het pasgeboren kind, waar tenslotte onze jaartelling begint, is direct bij zijn geboorte in het jaar 0 aan zijn eerste levensjaar én aan de eerste eeuw begonnen. Zo begint de twintigste eeuw ook in het jaar 0: 1900. 
Geen speld tussen te krijgen, toch?

19. Lang zal hij leven (1899)

Op 18 maart 1899 bent u vier jaar geworden. 
Het is niet waarschijnlijk dat aan uw verjaardag veel aandacht besteed is. De huidige traditie is namelijk pas in het begin van de twintigste eeuw ontstaan, toen leerkrachten de jarige leerling op school in het zonnetje gingen zetten. Dat doen ze nog steeds: met een speciaal daarvoor gemaakte kroon mag het feestvarkentje lunop een tafel staan en wordt het toegezongen door de klasgenoten.
Ons nationale verjaardagslied, ‘Lang zal ze leven’, bestond in 1899 niet eens, dat wil zeggen: niet in Nederland, maar wel in Zweden. Al in de achttiende eeuw werd de huidige melodie gecomponeerd

18. Verhuizing en kroning (1898)

U bent nog net geen drie jaar als op 15 januari 1898 de volgende verhuizing zich aandient: uw gezin verhuist van de Alexanderkade naar een ‘vrij’ bovenhuis aan de Noordstraat 17 (later Oeterwalerstraat 26) in het nagelnieuwe Muiderpoortkwartier aan de oostelijke rand van het toenmalige Amsterdam. Deze nieuwbouwwijk ligt in het westelijke deel van de […]

17. Opvoeding (1897/1898)

Mijn vader typeerde de opvoeding van zijn zes kinderen als ‘gezonde verwaarlozing’. Veel opgevoed werd er inderdaad niet: de jongens nog minder dan de meisjes (deze verklaring is geheel en al voor mijn rekening). Mijn moeder heeft mij proberen in te prenten dat ik ‘ladylike’ moest zijn (dat is niet gelukt). Mijn man en ik hebben onze dochters meer aandacht proberen te geven dan ik zelf gehad heb en ze ook serieuzer te nemen (of dat volgens hen serieus genoeg was is de vraag). Mijn kleinkinderen lijken nog meer aandacht en begeleiding te krijgen. Er is weinig dat aan het oog van hun ouders ontsnapt. 
Zo’n opvoeding kan bij u niet mogelijk geweest zijn: uw vader op zee, terwijl uw moeder en dienstbode Aleida hun handen vol hebben aan het huishoudelijke werk voor het gezin van (in 1896/1897 nog) zes kinderen.
Mijn beeld van de manier waarop kinderen in de negentiende eeuw opgroeien is dat kinderen zich snel aan moeten passen aan de regels van het gezin, desnoods met een pedagogische draai om de oren.

16. Naar de lagere school? 

Buiten regent het pijpenstelen. Binnen moeten u en de andere vijf kinderen zich vermaken in de beperkte ruimte van het souterrain en de bel-étage van Alexanderkade 16, terwijl uw moeder en dienstbode Aleida zich door de immer aangroeiende rijstebrijberg van huishoudelijk werk heen proberen te eten. Dat lijkt mij de hel. Veel aandacht voor de kinderen zal er niet kunnen zijn. Worden er spelletjes gedaan? Misschien af en toe, met uw vader, als hij wekenlang thuis is tussen twee reizen naar Nederlands-Indië door. 
Kinderdagverblijven en kleuterscholen bestaan nog niet en de ‘matressenschooltjes’ (van ‘maitresse’: ‘juf’) passen niet meer in het eind negentiende eeuwse denken over de opvoeding van kinderen: “Voor de geestelijke ontwikkeling van de kleinen waren ze nutteloos (de onderwijzeres was incapabel), voor het lichaam funest (zolders en kelders, met zeer onhygiënische toestanden en de snoeptafel als lokkertje).” 
Een van de zestien stadsdokters, Samuel Coronel, heeft deze misstanden blootgelegd.  (Boekholt & Booy, 1987, p. 175) Hij noemt ze “holen van menschenverdierlijking”. (Baar, sd)
Ik kan me niet voorstellen dat uw ouders hun kinderen daarnaartoe stuurden, hoe gek, met name uw moeder, soms ook geworden moet zijn van alle drukte in huis.

15. 1896

Terwijl u gaat kruipen, zich optrekt aan de eettafel en uw eerste stapjes zet aan de Alexanderkade gaan de technologische en sociologische ontwikkelingen van de negentiende eeuw een eindspurt in. 
De gebroeders Lumière ontwikkelden in 1895 de cinematograaf: een camera waarmee voor het eerst in de geschiedenis bewegende beelden opgenomen en weer afgespeeld konden worden. In het begin van 1896 tonen ze een filmpje van een aankomende trein aan het onwetende publiek. Naar verluidt lopen sommige mensen uit het publiek in paniek weg, omdat de trein min of meer recht op hen af lijkt te komen. (Gebroeders Lumière, sd). 
Als u nu eens naar de bioscoop zou kunnen gaan en daar bijvoorbeeld de film  ‘Amsterdamned II’  zou gaan zien, dan zou het me niet verbazen als u dan net zo hard de bioscoop uit zou rennen: zo levensecht en griezelig kunnen films nu zijn. Het ‘surround sound’ draagt daar zeker aan bij. Uw ouders hebben, als ze heel erg bij de tijd waren, misschien net voor het eerst het blikkerige, maar destijds niet minder opwindende geluid, van de fonograaf gehoord.

14. Brieven en zo

De dertien brieven die ik inmiddels aan u geschreven heb teruglezend, realiseer ik me dat ik niet uitgelegd heb, waarom ik voor deze vorm gekozen heb.
Het idee kwam niet van mijzelf, maar van Edmund de Waal, de schrijver van het prachtige boek ‘The Hare with Amber Eyes’. Een minder bekend, maar even fascinerend boek van hem is ‘Letters to Camondo’. Beide boeken reconstrueren de persoonlijke geschiedenis van mensen aan de hand van voorwerpen en in ‘Letters to Camondo’ doet hij dat in briefvorm. Door het schrijven van die brieven aan graaf Moïse de Camondo over wat De Waal ziet in diens huis (nu een museum), zijn kunstverzameling en de nagelaten minutieuze archieven ontstaat een virtueel beeld van deze graaf, dat steeds minder doorschijnend en gekunsteld wordt. Het wordt een mens van vlees en bloed. Het afscheid van hem, aan het einde van het boek, had ik aan kunnen zien komen, maar kwam toch ongenadig hard binnen.
Deze vorm van eerbetoon vond ik passend voor u, mijn grootvader.

13. Gelukkig nieuwjaar!

Uw moeder moest het ook bij de jaarwisseling van 1894 naar 1895 zonder uw vader stellen: op 28 december 1894 passeerde de Prins van Oranje (met haar chef-machinist) de Cabo Carvoeira, in het zuidwesten van Portugal, op weg van Amsterdam naar Batavia (het huidige Jakarta). (Het Vaderland, 1895)

Uw geboortejaar werd in Nederland niet met siervuurwerk ingeluid: dat was hier toen nog verboden (en is dit wat mij betreft vanaf 2026 weer :-). Het was dankzij de Chinezen die niet alleen het Chinese nieuwjaar met vuurwerk vierden, maar ook het ‘Europeesche Nieuwjaar’, dat de Nederlandse kolonialen in Nederlands-Indië kennis maakten met de traditie van vuurpijlen en Bengaals vuur. Die deden daar, naar verluidt, zelf ook enthousiast aan mee. In Amsterdam werden bij de start van 1895 alleen nog rotjes en voetzoekers afgestoken.

12. Opschieten

Zo langzamerhand krijg ik het gevoel dat ik een beetje op moet schieten. De schets van uw ouderlijk gezin, van de stad en de tijd waarin u geboren bent is min of meer afgerond (ook al valt daar nog véél méér over te delen). Ik wil graag verder gaan met wat ik over u en uw eigen leven gevonden heb. Maar dat gebeurt nog niet in deze brief.
Eerst wordt nóg een zusje geboren: Henriëtte Alphonse Maria, roepnaam Jet. 
De dag, 9 november 1893, was nog maar net begonnen toen ze werd geboren: om één uur ’s nachts, ook op de Tweede Parkstraat 154, net zoals Fie en Leentje. Dit keer werd haar komst wel begeleid door een vroedvrouw (die het die nacht druk had gehad, want ze deed tegelijkertijd aangifte van een kind dat een paar uur later werd geboren: dat kind had helemaal geen – geregistreerde – vader, maar dat terzijde).

11. Leentje

Het had zomaar kunnen gebeuren dat ik uw zusje Magdalena Johanna Maria Brautigam overgeslagen had. Wat zou haar roepnaam geweest zijn? Magda? Leentje? Laten we haar Leentje noemen.
Ik was eigenlijk een annonce van de geboorte van Jet (1893) aan het zoeken, die, zo dacht ik, de volgende in de rij van Brautigamkinderen was, toen ik opeens bij de familieberichten van de Burgerlijke Stand van Amsterdam tussen alle bevallen vrouwen het volgende zag staan: “J.C. Brautigam-Janssens, d” (Algemeen Handelsblad, 1892): een jaar te vroeg!
En dus blijkt opeens dat uw ouders niet zes, maar zeven kinderen kregen.