12. Opschieten

Zo langzamerhand krijg ik het gevoel dat ik een beetje op moet schieten. De schets van uw ouderlijk gezin, van de stad en de tijd waarin u geboren bent is min of meer afgerond (ook al valt daar nog véél méér over te delen). Ik wil graag verder gaan met wat ik over u en uw eigen leven gevonden heb. Maar dat gebeurt nog niet in deze brief.
Eerst wordt nóg een zusje geboren: Henriëtte Alphonse Maria, roepnaam Jet. 
De dag, 9 november 1893, was nog maar net begonnen toen ze werd geboren: om één uur ’s nachts, ook op de Tweede Parkstraat 154, net zoals Fie en Leentje. Dit keer werd haar komst wel begeleid door een vroedvrouw (die het die nacht druk had gehad, want ze deed tegelijkertijd aangifte van een kind dat een paar uur later werd geboren: dat kind had helemaal geen – geregistreerde – vader, maar dat terzijde).

6. Jeanette en Everardus: scholing

Dat de nieuwsjaarsbrief van uw moeder Jeanette in het Frans èn op rijm geschreven was, intrigeerde mij. Wat voor soort onderwijs zou zij gehad hebben? Het is verleidelijk te denken dat ze op de zogenaamde Franse school onderwijs gezeten heeft: “de moderne tegenhanger van de Latijnse school …Een opleidingsvorm naast die van de Latijnse school, want de elite bleef ver af staan van de burgerij, die van de Franse school gebruik maakte.” (Boekholt & Booy, 1987, p. 121)

5. Uw vader: Everardus Brautigam

Uw vader, mijn overgrootvader, Everardus Brautigam werd geboren op 22 januari 1858 in Hellevoetsluis.

De vestingstad Hellevoetsluis was sinds 1830 gegroeid tot ‘voorhaven’ van Rotterdam door het graven van het Kanaal door Voorne. Er waren verschillende marine-instellingen en opleidingsinstituten. Een plek waar uw grootvader, Hendrik Brautigam (1831-1906), zeker emplooi kon vinden. Zijn beroep was achtereenvolgens smidsknecht, smid op de Marinewerf, werktuigmaker, ketelmaker en uiteindelijk (varend) machinist. Zijn zoon en kleinzonen volgden hem in de scheepvaart.

3. 1887: Mijne lieve Jeanette

Uw verkeringstijd was nog niet heel anders dan dat van uw ouders, vermoed ik. Tegenwoordig gaat dat wel héél anders dan in de tijd van uw ouders, Everhardus en Jeanette. De brieven van uw vader uit de begintijd van hun relatie vond ik in het archief van uw oudste zoon, Evert.

Everhardus, 2e machinist aan boord van de S.S. Voorwaarts, schrijft op 31 augustus 1887 een zeer verliefde brief aan “Mijne lieve Jeanette”, uw moeder.
“Daarom lieve Jeanette, troost U met mij, dat eens een einde hier aan zal komen, als wij, ik zeg het nog eens, en ook U het beleven mogen, eens in elkanders armen liefde en droefheid, zonneschijn en warmte belijden mogen, niet waar mijn lieve Engel. Ook ik zou wel ik weet niet hoeveel geven willen, zoo mij het geluk dat door mij met volle verwachting te gemoet