16. Naar de lagere school? 

Buiten regent het pijpenstelen. Binnen moeten u en de andere vijf kinderen zich vermaken in de beperkte ruimte van het souterrain en de bel-étage van Alexanderkade 16, terwijl uw moeder en dienstbode Aleida zich door de immer aangroeiende rijstebrijberg van huishoudelijk werk heen proberen te eten. Dat lijkt mij de hel. Veel aandacht voor de kinderen zal er niet kunnen zijn. Worden er spelletjes gedaan? Misschien af en toe, met uw vader, als hij wekenlang thuis is tussen twee reizen naar Nederlands-Indië door. 
Kinderdagverblijven en kleuterscholen bestaan nog niet en de ‘matressenschooltjes’ (van ‘maitresse’: ‘juf’) passen niet meer in het eind negentiende eeuwse denken over de opvoeding van kinderen: “Voor de geestelijke ontwikkeling van de kleinen waren ze nutteloos (de onderwijzeres was incapabel), voor het lichaam funest (zolders en kelders, met zeer onhygiënische toestanden en de snoeptafel als lokkertje).” 
Een van de zestien stadsdokters, Samuel Coronel, heeft deze misstanden blootgelegd.  (Boekholt & Booy, 1987, p. 175) Hij noemt ze “holen van menschenverdierlijking”. (Baar, sd)
Ik kan me niet voorstellen dat uw ouders hun kinderen daarnaartoe stuurden, hoe gek, met name uw moeder, soms ook geworden moet zijn van alle drukte in huis.

15. 1896

Terwijl u gaat kruipen, zich optrekt aan de eettafel en uw eerste stapjes zet aan de Alexanderkade gaan de technologische en sociologische ontwikkelingen van de negentiende eeuw een eindspurt in. 
De gebroeders Lumière ontwikkelden in 1895 de cinematograaf: een camera waarmee voor het eerst in de geschiedenis bewegende beelden opgenomen en weer afgespeeld konden worden. In het begin van 1896 tonen ze een filmpje van een aankomende trein aan het onwetende publiek. Naar verluidt lopen sommige mensen uit het publiek in paniek weg, omdat de trein min of meer recht op hen af lijkt te komen. (Gebroeders Lumière, sd). 
Als u nu eens naar de bioscoop zou kunnen gaan en daar bijvoorbeeld de film  ‘Amsterdamned II’  zou gaan zien, dan zou het me niet verbazen als u dan net zo hard de bioscoop uit zou rennen: zo levensecht en griezelig kunnen films nu zijn. Het ‘surround sound’ draagt daar zeker aan bij. Uw ouders hebben, als ze heel erg bij de tijd waren, misschien net voor het eerst het blikkerige, maar destijds niet minder opwindende geluid, van de fonograaf gehoord.

13. Gelukkig nieuwjaar!

Uw moeder moest het ook bij de jaarwisseling van 1894 naar 1895 zonder uw vader stellen: op 28 december 1894 passeerde de Prins van Oranje (met haar chef-machinist) de Cabo Carvoeira, in het zuidwesten van Portugal, op weg van Amsterdam naar Batavia (het huidige Jakarta). (Het Vaderland, 1895)

Uw geboortejaar werd in Nederland niet met siervuurwerk ingeluid: dat was hier toen nog verboden (en is dit wat mij betreft vanaf 2026 weer :-). Het was dankzij de Chinezen die niet alleen het Chinese nieuwjaar met vuurwerk vierden, maar ook het ‘Europeesche Nieuwjaar’, dat de Nederlandse kolonialen in Nederlands-Indië kennis maakten met de traditie van vuurpijlen en Bengaals vuur. Die deden daar, naar verluidt, zelf ook enthousiast aan mee. In Amsterdam werden bij de start van 1895 alleen nog rotjes en voetzoekers afgestoken.

12. Opschieten

Zo langzamerhand krijg ik het gevoel dat ik een beetje op moet schieten. De schets van uw ouderlijk gezin, van de stad en de tijd waarin u geboren bent is min of meer afgerond (ook al valt daar nog véél méér over te delen). Ik wil graag verder gaan met wat ik over u en uw eigen leven gevonden heb. Maar dat gebeurt nog niet in deze brief.
Eerst wordt nóg een zusje geboren: Henriëtte Alphonse Maria, roepnaam Jet. 
De dag, 9 november 1893, was nog maar net begonnen toen ze werd geboren: om één uur ’s nachts, ook op de Tweede Parkstraat 154, net zoals Fie en Leentje. Dit keer werd haar komst wel begeleid door een vroedvrouw (die het die nacht druk had gehad, want ze deed tegelijkertijd aangifte van een kind dat een paar uur later werd geboren: dat kind had helemaal geen – geregistreerde – vader, maar dat terzijde).

11. Leentje

Het had zomaar kunnen gebeuren dat ik uw zusje Magdalena Johanna Maria Brautigam overgeslagen had. Wat zou haar roepnaam geweest zijn? Magda? Leentje? Laten we haar Leentje noemen.
Ik was eigenlijk een annonce van de geboorte van Jet (1893) aan het zoeken, die, zo dacht ik, de volgende in de rij van Brautigamkinderen was, toen ik opeens bij de familieberichten van de Burgerlijke Stand van Amsterdam tussen alle bevallen vrouwen het volgende zag staan: “J.C. Brautigam-Janssens, d” (Algemeen Handelsblad, 1892): een jaar te vroeg!
En dus blijkt opeens dat uw ouders niet zes, maar zeven kinderen kregen.

10. Dagelijks leven (1885-1891)

Het blijft me verbazen hoe opwindend en vernieuwend het einde van de 19e eeuw was. Er gebeurde zo ontzettend veel dat steeds invloed heeft op de tijd waarin ik leef. Over de infrastructurele veranderingen heb ik al het een en ander geschreven, maar ook cultureel was het een zeer vruchtbare tijd. 

Het Rijksmuseum werd in 1885 geopend. Gingen uw ouders daar kijken naar schilderijen waarvan de verf nog maar net opgedroogd was, zoals van Jan Toorop, Henri de Toulouse-Lautrec, Paul Gaugain, Vincent van Gogh en Edvard Munch?
Ook het nu Koninklijke Concertgebouw was nog maar net afgebouwd: in 1888. Onder leiding van Willem Mengelberg of Bruno Walter klonk daar ‘moderne’ muziek, zoals het eerste pianoconcert van Sergei Rachmaninov, de balletsuite ‘De Notenkraker’van Pjotr Iljitsj Tsjaikovsky en Antonín Dvoraks symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’: allemaal rond 1890 gecomponeerd en nu behorend tot geliefde en vaak uitgevoerde klassieken.
Het was de tijd dat ‘Eline Vere’, het debuut van Louis Couperus, als feuilleton verscheen in de krant ‘Het Vaderland’. Toen hij zijn heldin liet sterven, werd op straat en in de tram geschokt over haar gepraat alsof ze echt geleefd had.

8. Broer, namen, gist

Op 24 maart 1890 wordt uw oudste broer geboren. De tekst van zijn geboorteakte luidt als volgt:
“Op heden Vijfentwintig Maart Achttienhonderd Negentig, is voor ons ondergeteekende Ambtenaar van den Burgerlijken Stand der Gemeente Amsterdam, verschenen: Everardus Brautigam, van beroep machinist, oud twee en dertig Jaren, wonende Nieuwendijk No. 38, welke heeft verklaard dat op vier en twintig dezer des namiddags ten zeven ure, in het huis, staande als boven, is geboren een Kind van het mannelijk geslacht, uit Johanna Christina Janssens, van beroep geen, wonende als boven, zijne echtgenoote, welk Kind genaamd zal worden Martinus Hendrik Johannes Everardus … ”

6. Jeanette en Everardus: scholing

Dat de nieuwsjaarsbrief van uw moeder Jeanette in het Frans èn op rijm geschreven was, intrigeerde mij. Wat voor soort onderwijs zou zij gehad hebben? Het is verleidelijk te denken dat ze op de zogenaamde Franse school onderwijs gezeten heeft: “de moderne tegenhanger van de Latijnse school …Een opleidingsvorm naast die van de Latijnse school, want de elite bleef ver af staan van de burgerij, die van de Franse school gebruik maakte.” (Boekholt & Booy, 1987, p. 121)

4. Uw moeder: Jeanette Janssens

Hoever zal ik teruggaan in het uitpluizen en delen van uw voorgeschiedenis? 
Uw moeder, Jeanette Janssens, mijn overgrootmoeder, mag daarin in ieder geval niet ontbreken. Ik vermoed namelijk dat zij een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de man die u geworden bent. Haar aandeel in uw opvoeding moet groot geweest, alleen al vanwege het gegeven dat uw vader als machinist op de grote vaart vaak en lang afwezig was.

3. 1887: Mijne lieve Jeanette

Uw verkeringstijd was nog niet heel anders dan dat van uw ouders, vermoed ik. Tegenwoordig gaat dat wel héél anders dan in de tijd van uw ouders, Everhardus en Jeanette. De brieven van uw vader uit de begintijd van hun relatie vond ik in het archief van uw oudste zoon, Evert.

Everhardus, 2e machinist aan boord van de S.S. Voorwaarts, schrijft op 31 augustus 1887 een zeer verliefde brief aan “Mijne lieve Jeanette”, uw moeder.
“Daarom lieve Jeanette, troost U met mij, dat eens een einde hier aan zal komen, als wij, ik zeg het nog eens, en ook U het beleven mogen, eens in elkanders armen liefde en droefheid, zonneschijn en warmte belijden mogen, niet waar mijn lieve Engel. Ook ik zou wel ik weet niet hoeveel geven willen, zoo mij het geluk dat door mij met volle verwachting te gemoet