14. Brieven en zo

De eerste dertien brieven teruglezend, realiseer ik me dat ik niet uitgelegd heb waarom ik voor deze vorm gekozen heb.
Het idee kwam niet van mijzelf, maar van Edmund de Waal, de schrijver van het prachtige boek ‘The Hare with Amber Eyes’. Een minder bekend, maar even fascinerend boek van hem is ‘Letters to Camondo’. Beide boeken reconstrueren de persoonlijke geschiedenis van mensen aan de hand van voorwerpen en in ‘Letters to Camondo’ doet hij dat in briefvorm. Door het schrijven van die brieven aan graaf Moïse de Camondo over wat De Waal ziet in diens huis (nu een museum), zijn kunstverzameling en de nagelaten minutieuze archieven ontstaat een virtueel beeld van deze graaf, dat steeds minder doorschijnend en gekunsteld wordt. Het wordt een mens van vlees en bloed. Het afscheid van hem, aan het einde van het boek, had ik aan kunnen zien komen, maar kwam toch ongenadig hard binnen.
Deze vorm van eerbetoon vond ik passend voor u, mijn grootvader.

En er is nog een reden: brieven waren zo belangrijk voor u, uw ouders en grootouders. Niet alleen voor de zeevarende gezinshoofden die maandenlang van huis waren, maar voor iedereen, omdat het schrijven van brieven lange tijd het enige communicatiemiddel op afstand was.  Als mensen niet bij elkaar in de buurt woonden, werd lief en leed in brieven gedeeld. Het bezit van een telefoon was rond 1910 in de meeste steden en dorpen nog steeds beperkt tot de notabelen (Mak, 1999). Het duurde decennia voordat de telefoon ook voor huis-, tuin- en keukengebruik gebruikt werd.

De kunst van het briefschrijven zijn we in de 21e eeuw goeddeels verleerd. De verzending van post gaat nu een stuk trager dan in uw tijd en wordt terecht ‘snail mail’ genoemd. Daar is het elektronische bericht voor in de plaats gekomen: ‘e-mail’. Die berichten worden trouwens ook nog eens vaak te lang bevonden door de ontvangers. De liefde voor het lezen is namelijk behoorlijk tanende. Er wordt steeds meer gecommuniceerd met korte tekstberichten, waarin woorden vaak niet eens meer voluit geschreven, maar op creatieve wijze samengebald worden. Tekst legt het bovendien in toenemende mate af van beeld: foto’s en filmpjes zijn belangrijke middelen van communicatie geworden. De implicaties van deze maatschappelijke ontwikkeling overzie ik niet, maar dat ik nog steeds brieven kan schrijven aan u, ook al bent u al ruim tachtig jaar dood, vind ik bijzonder verheugend en bevredigend. Het brengt u, in ieder voor mijn gevoel, dichter bij mij en de lezers van deze brieven, dan wanneer ik het verhaal van uw leven in de derde persoon zou schrijven. 

Ook de krant vervulde een belangrijkere rol in het dagelijkse leven dan nu het geval is, zeker voor persoonlijke berichten. Dat is tenminste een inschatting van mij, op basis van wat ik om me heen zie. De meeste mensen van mijn generatie hebben nog wel een krant, maar dat geldt veel minder voor de generatie van onze kinderen. De manieren waarop zij zich oriënteren op de wereld om zich heen zijn lang niet allemaal even betrouwbaar. Het is verleidelijk hier uit te wijden over wat de eventuele gevolgen daarvan zouden kunnen zijn, maar ik vermeld liever de berichten die in de krant verschenen over uw grootvader, Hendrik Brautigam, toen u nog maar een paar maanden oud was. Dat soort berichten verschijnen nu niet meer in de hedendaagse dagbladen.

In diverse kranten werd het pensioen van uw grootvader aangekondigd, tot en met de Nederlandsche Staats-Courant aan toe: “Bij Koninklijk besluit van 17 dezer no 34 is aan den eervol ontslagen eerste-machinist bij ’s Rijks werf te Willemsoord H. Brautigam … met ingang van den 1sten Juli 1895, een pensioen verleend, ten bedrage van ƒ736 ’sjaars.” (Nederlandsche Staats-Courant, 1895)

De foto die een paar jaar eerder, in 1892, op de Rijksmarinewerf Willemsoord, (Den) Helder is genomen, laat een interessante groep strenge, potige, ernstige mannen zien met een grote diversiteit aan hoofddeksels: die mijnheer met de hoge hoed op de eerste rij zal wel de hoogste in rang zijn. De petten van de mannen rechts op de tweede en derde rij lijken mij de laagste status aan te geven, omdat de petten geen logo hebben, zoals bij een aantal van de anderen wel het geval is. De bolhoeden zitten daar qua hiërarchie vast ergens tussenin. Van de man met bolhoed en indrukwekkende bakkebaarden (tweede rij, vierde van links) weten we dat hij toen eerste machinist was:  uw grootvader. 
Zouden uw grootouders vaak van Den Helder naar Amsterdam gereisd zijn om hun schoondochter te helpen met haar kinderrijke gezin, nu opa met pensioen is? Ik vermoed van niet. Dat is meer iets voor grootouders van de 21e eeuw. 
Het is in ieder geval fijn te ontdekken dat uw moeder vanaf 29 november 1895 versterking kreeg van Elisabeth Heesterbeek, dienstbode uit Brabant. 

Illustraties

  • Rijksmarinewerf Willemsoord, (Den) Helder, 1892 (Privé archief Mr E.A.G. Brautigam)
  • Nederlandsche Staatscourant (Nederlandsche Staats-Courant, 1895)
  • Dienstbodenregister (Stadsarchief, 1895)

Bronnen

  • Mak, G. (1999). De eeuw van mijn vader. In G. Mak, De eeuw van mijn vader (p. 28). Amsterdam: Atlas.
  • Nederlandsche Staats-Courant. (1895, augstus 27). Opgehaald van Delpher : https://www.delpher.nl/nl/kranten/view?query=brautigam&coll=ddd&sortfield=date&cql%5B%5D=%28date+_gte_+%2201-01-1895%22%29&cql%5B%5D=%28date+_lte_+%2231-12-1895%22%29&page=3&redirect=true&identifier=MMKB08:000171535:mpeg21:a0001&resultsidentifier=MMKB08:0
  • Stadsarchief. (1895, november 29). Opgehaald van Archief Amsterdam: https://www.amsterdam.nl/stadsarchief

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *