Na op 18 augustus 1903 uit Southampton (zie vorig bericht) vertrokken te zijn, vaart uw vader met het stoomschip Koningin Regentes verder, naar ik aanneem als ‘chef-machinist’, via Ouessant (eiland aan de Franse westkust), de Cabo da Roca (Portugal), Gibraltar, Genua, Capo del’ Armi (Italië), Port-Said (Egypte), Suez (Egypte), Perim (eiland ten westen van Jemen) en Padang (havenstad in West-Sumatra, Indonesië) om op 2 september 1903 in Batavia (het huidige Jakarta, Indonesië) te arriveren. Een route die u later ook meermaals bevaren heeft.[1]
Ondertussen gaat het leven van uw ouderlijk gezin in Amsterdam ‘gewoon’ verder. Uw moeder Jeanette en de dienstbode van dat moment, Helena Johanna Hildebrand, bestieren het huishouden, de kinderen gaan in september weer naar school, behalve, vermoedelijk, uw jongste broer, Cor, die nog geen vier jaar is.
Ik ben er nog niet achter naar wat voor school en klas uw broer Martijn dat schooljaar gaat. Hij is dan dertien jaar. Uw vader spoort hem in zijn brief aan “… om het volgend jaar met glans een mooi examen te doen.” Als hij de zes klassen van de lagere school (groep 3 tot en met 8 van de huidige basisschool) had doorlopen zonder te blijven zitten, dan zou hij aan het eind van het schooljaar 1901-1902 klaar geweest zijn. Zou hij niet één, maar zelfs twéé keer zijn blijven zitten? Dat kan natuurlijk. Onder uw nakomelingen bevinden zich er ook die niet in één ruk hun schoolcarrière doorlopen hebben.
Een andere mogelijkheid is dat Martijn één keer is blijven zitten en in het schooljaar 1903-1904 naar de zevende klas is gegaan, ter voorbereiding van het beroepsonderwijs. Ik herinner me ergens gelezen te hebben, dat die optie in die tijd bestond (maar kan tot mijn ergernis niet meer vinden waar dat was). Ook heb ik – zonder succes – proberen te achterhalen of met het “examen”, inderdaad een examen ter afsluiting van de lagere school bedoeld kan zijn. Ik weet wel dat Martijn pas in het volgende najaar, 1904, naar de Kweekschool voor de Scheepvaart gaat. Wordt vervolgd …
Amsterdam blijft ondertussen uitdijen en moderniseren. De technologische vooruitgang is ook op straat zichtbaar: de eerste elektrische trambaan is in 1900 officieel in gebruik genomen in de Marnixstraat. Een ooggetuigeverslag in de krant luidt: “De wagen werpt prachtig licht uit en vooral het voorlicht met den glimmenden reflector voldoet zeer. Ook heeft men er zich van kunnen overtuigen, dat de vaart waarmee de trams rijden, niet gering te noemen is. … Vooral het schieten van de blauwe elektrische vonken trok bij het publiek zeer de aandacht en verwekte veel ontroering in de dichte gelederen.”
Tot die tijd waren de Amsterdammers afhankelijk van de paardentram, die maar tien kilometer per uur ging, dus de introductie van de elektrische tram werd vast als vooruitgang ervaren, ook al betekende het dat ze de tram voortaan niet meer aan konden houden waar ze stonden, zoals ze met de paardentram gewend waren. De elektrische tram stopte voortaan alleen maar bij de “Wachtplaats voor de tram”. Een nieuw woord: “tramhalte” was snel geboren.[2] De paardentram verdwijnt in 1904 helemaal uit het stadsbeeld.[3]
De terugreis van uw vader vanuit de oost verloopt ondertussen niet helemaal zonder problemen. Op 15 oktober vertrekt het stoomschip Koningin Regentes vanuit Batavia (Jakarta), om de volgende dag al vast te lopen “op het rif Brom-Brom”:
“Het was goed helder weder. … De boom, die op de Karang Brom staat en als een goed merk dient, werd gezien en gepeild en de gezagvoerder [kapitein Weisman] meende op veiligen afstand bezuiden de droogte langs te varen.”
In het Bataviaasch Nieuwsblad wordt vervolgens gespeculeerd, dat “óf de boom niet goed in kaart is gebracht, óf het rif zuidelijker zich uitstrekt dan op de kaart voortkomt.” Het achteruit stomen om vlot te komen, heeft geen resultaat. Gelukkig maakt het schip geen water. Bij een poging het schip vlot te trekken door het stoomschip Prins Hendrik “worden de machines op beide schepen in den namiddag van 19 October volle kracht aangezet. Er kwam echter geen beweging in de Koningin Regentes en ten slotte brak de sleeptros.”
Besloten wordt de lading van de Koningin Regentes te lossen, zodat het schip hopelijk makkelijker vlot te trekken is. Het verslag van de stoomschepen die te hulp schieten, allemaal met prachtige namen, zoals de Speelman, Giang Bee, Maha Vajirunhis, Reyniersz, Fazant, Palembang, met hulp van vijf prauwen en zestig (!) “koelies”[4], leest als een jongensboek. Op 22 oktober, zes dagen na vertrek, wordt “De machine daarop op volle kracht achteruit aangezet en de Regentes, gleed geleidelijk van de bank af.”
Het schip wordt weer met de oorspronkelijke lading beladen en kan, na controle, de thuisreis vervolgen. De passagiers zijn al die tijd op eigen verzoek aan boord gebleven.[5]

Dit uitgebreide verslag is te lezen in het Bataviaasch Nieuwsblad, maar kortere berichten verschijnen al snel in diverse Nederlandse kranten, zoals op 21 oktober al in De Tijd, de krant die uw moeder waarschijnlijk las. Ze zal toch wel blij geweest zijn te lezen dat het vanaf het begin duidelijk was dat er geen gevaar was . De Koningin Regentes kan na inspectie op 24 oktober vertrekken vanuit Singapore op weg naar huis. Op 28 november arriveert het schip met uw vader zonder verdere problemen in Amsterdam.
Illustraties
- Koningin Regentes, Havenopname. Collectie Rob G. Martens[6]
- De bovenleiding van de tram wordt aangelegd in de Marnixstraat, 1900 (Stadsarchief Amsterdam)[7]
- Gestrand. De Tijd: godsdienstig-staatskundig dagblad, 21 oktober 1903 (Delpher)
[1] Delpher, scheepsberichten, diverse kranten
[2] Marius van Melle en Niels Wisman, 1 maart 2010 (OnsAmsterdam.nl)
[3] Freek Heijbroek, 1 oktober 2020 (OnsAmsterdam.nl)
[4] Oorspronkelijke betekenis: ‘havenarbeider’. Dit werk werd vaak door Aziaten gedaan, die dat werk onder slechte omstandigheden deden. Later is het een scheldwoord geworden. (Wikipedia, lemma ‘Koelie)
[5] Bataviaasch Nieuwsblad. (24 oktober 1903) (Delpher)
[6] https://www.marhisdata.nl/schip&id=3495
[7] Marius van Melle en Niels Wisman, 1 maart 2010 (OnsAmsterdam.nl)
Eén reactie
Dag Leontien,
Die zeven jaar op de lagere school herken ik wel. Toen ik in 1951 op de lagere school begon, was het net het laatste jaar dat er op onze school nog een zevende klas was. Om toen op een school voor beroepsonderwijs te beginnen moest iemand 12 jaar en 8 maanden zijn, als je dat niet was ging je naar de 7e klas. Daarna kon dat wel omdat bijv. de ambachtschool, later LTS een voorbereidingsklas instelde, die had die eis niet en bood bovendien de leerlingen kennismaking met de diverse beroepsopleidingen.